Spijsverteringsstelsel

Het spijsverteringstelsel van het paard

Het paard is een herbivoor, dat betekent dat het alleen plantaardig eet. Het spijsverteringsstelsel zit zo in elkaar, dat het alleen geschikt is om constant kleine porties verzelrijk materiaal te verwerken. Vezelrijk voeding is van groot belang voor de gezondheid van het paard.

Het gebit en speeksel

De snijtanden gebruikt het paard om het gras kort af te bijten. Brokken pakt het paard met de lippen en gebruik hier niet de snijtanden voor, maar de kiezen vermalen het voer. Door het malen en klein maken van het voer, verhoogd  het de verteerbaarheid van het voer. Om het paard veel te laten malen met zijn kiezen, moet het veel verzelrijk voer eten. Dit is niet alleen goed voor de kauwbeweging, maar zorgt ervoor dat de kiezen gelijkmatig slijten. Door de kauwbewegingen maakt het paard ook speeksel aan, dit is belangrijk om het voer soepel door de slokdarm te laten glijden, maar ook om de PH in de maag te balanceren. Speeksel zorgt voor fermentatie door bacteriën in de maag. En het beschermt het bovenste gedeelte van de maag tegen maagzuur. Dit is belangrijk om maagzweren te voorkomen. Het speeksel van een paard bestaat 99% uit water. Per dag kan een paard 35 tot 40 liter speeksel aanmaken. Het bevat een laag gehalte aan verteringsenzymen. Daarom zal zetmeelvertering later in de spijsvertering plaatsvinden, omdat verteringenzymen nodig zijn om zetmeel te kunnen verteren.

De slokdarm

De slokdarm is de verbinding van de mond naar de maag. De slokdarm is gemiddeld 120 cm lang. Het is een soepele buis bestaande uit slijmvlies, bindweefsellaag en een spierlaag aan de buitenzijde. In het bindweefsel zitten kleine kliertjes die slijm produceren. Hierdoor is de slokdarm glad van binnen, maar de slijm beschermd ook tegen scherpe kantjes en tegen zuur voedsel of zure maaginhoud. De slokdarm heeft een samentrekkende beweging, hierdoor wordt het voedsel naar de maag geleidt. Wanneer het paard van de grond eet, dan kan het door de samentrekkende beweging toch in de maag terecht komen.

Als het eten fijn gemaald is en vermengd met speeksel, verplaatst de tong het voedsel naar achter in de mond, waar het de slokdarm ingaat. De slokdarm is de verbinding tussen de mond en de maag van het paard. Het is een soepele buis van ongeveer 1,2 – 1,5 meter lang (uiteraard afhankelijk van de grootte van het paard), bestaande uit een slijmvlies, bindweefsellaag en een spierlaag aan de buitenzijde. In de bindweefsellaag bevinden zich vele kliertjes die slijm produceren, waardoor de binnenzijde van de slokdarm glad en glibberig is en bovendien beschermd tegen scherpe kantjes en bijvoorbeeld zuur voedsel of zure maaginhoud. De spieren in de spierlaag zorgen voor zogenaamde peristaltische (samentrekkende) bewegingen van de slokdarm, die het doorgeslikte voedselbrij naar de maag transporteerd. Het voedsel ‘valt’ dus niet vanzelf door de slokdarm, het is een actief proces. Daardoor komt het voedsel ook in de maag terecht als het paard van de grond eet, zoals gras eten.

De maag

De maag van het paard is qua volume best klein met een inhoud van ongeveer 8 tot 15 liter. Het bestaat ongeveer uit 8%  van het totale spijsverteringsstelsel. Het paard zal kleine porties tegelijk nuttigen, omdat de maagwand niet kan uitrekken. Je moet dan ook oppassen om niet teveel krachtvoer in één keer te voeren. Als je meer dan 2 kilo krachtvoer per voedingsbeurt geeft, dan kan het zijn dat het teveel is voor de maag. Je kan wel onbeperkt hooi geven, omdat hierop veel gemalen moet worden, ze doen daar veel langer over. Door het hoge drooggehalte verblijft hooi ook langer in de maag. In de maag worden eiwitten en vetten afgebroken. Het voedsel verlaat de maag via de maagportier (pylorus) dan komt het terecht in de 12-vingerige darm. De werking in de maag wordt sterk beïnvloed door het hormoon Gastrine. Dit hormoon heeft meerder functies, het verhoogd o.a. het aantal spiersamentrekkingen

Speeksel is niet alleen belangrijk om het voedsel goed door de slokdarm te laten glijden. Het is ook belangrijk om de pH in de maag te balanceren. De maag bestaat uit twee compartimenten. In het bovenste gedeelte is geen maagzuur productie en het slijmvlies is ook niet bestand tegen maagzuur. Speeksel beschermt het slijmvlies in dit gedeelte van de maag, omdat het een bufferend vermogen heeft. Het onderste deel van de maag is redelijk bestand tegen het maagzuur wat daar wordt geproduceerd. Maar langdurig maagzuur zonder vermenging met voedselbrij, kan ook daar schade geven.

Dunne darm

Vrijwel al het voedsel wordt in de dunne darm verteerd en opgenomen in de bloedbaan. De dunne darm neemt ongeveer 28% van het spijsverteringsstelsel in beslag. Het bestaat uit drie delen:

Het Duodenum (twaalfvingerige darm)

Het Jejunum (nuchtere darm)

Het Ileum (kronkeldarm)

Samen zo’n 15 – 23 meter lang.

In de twaalfvingerige darm (Duodenum) vindt de vertering plaats van zetmeel, eiwit en vetten. Op de twaalfvingerige darm sluiten allerlei organen aan, die verteringssappen produceren, waaronder de Pancreas (alvleesklier). De alvleesklier zorgt voor de productie van amylase. Dit enzym breekt zetmeel tot kleinere deeltjes, die weer worden afgebroken door andere enzymen tot glucose, die vervolgens worden opgenomen door de darmwand.

In de dunne darm kan maar een beperkte hoeveelheid zetmeel worden verteerd, dit komt omdat er een bepaalde hoeveelheid aan amylase wordt aangemaakt. Als er teveel zetmeel in dunne darm komt, dan zal de amylase niet al het zetmeel kunnen verteren. Het gevolg is dat de rest van het onverteerde zetmeel door zal gaan naar de blinde en dikke darm. Hier gaan de  bacteriën ermee aan de slag en zo kunnen er allerlei verteringsproblemen ontstaan. De hoeveelheid geproduceerde amylase en de capaciteit van zetmeelvertering verschilt per paard. Waarschijnlijk is o.a. daarom het ene paard gevoeliger voor bijvoorbeeld koliek dan het andere.

De dunne darm kan suikers verteren, hiervoor is geen amylase nodig. De overige enzymen in de dunne darm zijn voldoende aanwezig om de suikers om te nemen. Maar pas op, suikers zijn niet gezond voor een paard, het veroorzaakt schommelingen in het bloedsuiker en insulinespiegel. Dit vergroot de kans op insulineresistentie. Ook komt het regelmatig voor dat er in dunne darmwand een ontsteking ontstaat (IBD Inflammatory bowel disease). Paarden die hier aan leiden zijn vaak mager, minder bespierd en hebben last van terugkerende kolieken. Het is belangrijk om dan naar het rantsoen te kijken. Het aanpassen van het rantsoen kan soms een oplossing zijn.

Blinde en dikke darm.

De blinde – en dikke darm bedragen samen ongeveer 64% van het totale spijsverteringsstelsel en is 7 tot 9 meter lang. Het meeste werk vindt hier plaats, waarschijnlijk vandaar het grote volume van 64%. In de blinde en dikke darm bevinden zich enorme hoeveelheden verschillende bacteriën. Deze leven in symbiose met het paard. Ze leven van het voer van het paard en in ruil daarvoor leveren ze stoffen die het paard gebruikt als energiebronnen. Ze produceren vluchtige vetzuren, die vervolgens weer worden opgenomen door de darmwand en vervolgens in de bloedbaan komen en dienen als energiebron voor het paard. De bacteriehuishouding is erg gevoelig voor veranderingen in de samenstelling van het rantsoen. Daarom wordt er ook altijd aanbevolen om niet plots te veranderen van voer, maar dit langzaam op te bouwen. De darmflora kan door diversen redenen worden verstoord, onder andere door een verkeerd rantsoen. De bacteriën kunnen dan doodgaan of juist enorm groeien. Waardoor andere bacteriën kunnen doodgaan. Stervende bacteriën geven gifstoffen (toxine) af, die gezondheidsproblemen kunnen geven, zoals diarree, en hoefbevangenheid. Wanneer er teveel zetmeel (zetmeel zijn ook suikers) aanwezig is, groeit het normaliter beperkte populatie van melkzuur producerende bacteriën sterk. Hierbij wordt veel melkzuur geproduceerd, maar dit wordt niet opgenomen door de darmwand. De melkzuur blijft dan in de darmholte zitten en hoopt zich op. Hierdoor wordt er nog maar nauwelijks water aan de mest onttrokken en ontstaat er zogenaamde osmotische diarree. Dit komt door de PH daling, door gevolg van de opeenhoping  van melkzuur in de darm. Dit kan onder andere koliek veroorzaken.

Endeldarm/Rectum

De endeldarm is het laatste deel van de dikke darm. De rest wat nog overblijft van het voedselbrij, komt daarin terecht. Er is dan inmiddels voor een groot deel van het water onttrokken en de mest is gevormd tot mestballen. De mestballen verlaten via de anus het paardenlichaam. De mest bekijken is een goede manier om te zien of de vertering optimaal is verlopen. De mest kan je veel informatie geven over de spijsvertering. Gezonde mest bestaat uit goed gevormde, glanzende ballen. Ze mogen een beetje uit elkaar vallen als ze de grond raken. Heeft je paard diarree, ruikt de mest zuur of andere afwijkende zaken. Hou het goed in de gaten en schakel tijdig een dierenarts in.

Het wordt nu een stuk duidelijker waarom een  constante samenstelling van het rantsoen, met veel ruwvoer en weinig maar goed verteerbaar zetmeel, veel problemen kunnen voorkomen. Paarden in de natuur eten de hele dag kleine beetjes vezelrijke voeding. Een verzelrijk rantsoen met een constante samenstelling is van essentieel belang voor de gezondheid van het paard.